EU Toelatingsverordening

In 2008 is zowel Europees als nationaal intensief gediscussieerd over de herinrichting van het Europese toelatingssysteem van stoffen die als gewasbeschermingsmiddel kunnen worden toegelaten. De discussie spitste zich vooral toe op de toelatingscriteria voor die stoffen. Tot dat moment waren de, op wetenschappelijke wijze vastgestelde, feitelijke risico’s bepalend voor de toelaatbaarheid van zo’n stof. In de nieuwe systematiek is dit principe verlaten en zal bij het beëindigen van bestaande toelatingen worden gekeken naar specifieke, intrinsieke eigenschappen van de stof die in het product zit (zgn. cut off criteria).

De momenteel nog van toepassing zijnde gewasbeschermingsmiddelenrichtlijn 91/414/EEG voorziet in een Europese beoordeling van werkzame stoffen en bevat regels voor het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen in de diverse lidstaten. De Europese Commissie heeft in 2001 de richtlijn geëvalueerd en naar aanleiding daarvan hebben het Europees Parlement (EP) en de Raad gevraagd om de richtlijn aan te vullen met:

  • Vastgelegde criteria voor het goedkeuren van werkzame stoffen; Aangescherpte criteria aanscherpen voor goedkeuring van stoffen met een hoog risicoprofiel;
  • Een vereenvoudigde procedure voor stoffen met een laag risicoprofiel;
  • Het principe van een alternatieventoets en substitutie;
  • Een verbeterde wederzijdse erkenning door de introductie van toelatingszones voor
    gewasbeschermingsmiddelen.
Na een uitvoerige consultatieperiode heeft de Commissie medio 2006 haar voorstel voor herziening van 91/414/EEG gepresenteerd en daarbij besloten de richtlijn te vervangen door een verordening met het oog op vereenvoudiging en om de wetgeving in de lidstaten van de EU verder te harmoniseren.

Bij de totstandkoming van de verordening is veel gesproken over (het ontbreken van) de noodzaak om de huidige risico-benadering bij de beoordeling van actieve stoffen te verlaten en de introductie van cut off-criteria (besluitvorming op basis van intrinsieke stofeigenschappen). Daarbij dient de kanttekening te worden gemaakt dat al sinds 2001 in de EU geen stoffen meer werden goedgekeurd die geclassificeerd zijn als CMR (carcinogene, mutagene en reprotoxische) klasse I en mutagene klasse II stoffen.
In het oorspronkelijke voorstel van de Commissie werd voorgesteld om klasse I en II CMR stoffen toe te staan, mits er geen consumenten aan meetbare residuen werden blootgesteld (op basis van risicobenadering).
In het najaar van 2007 behandelde het Europees Parlement in Eerste Lezing het Commissievoorstel voor de Gewasbeschermingsverordening. Dit leidde tot een aanzienlijke aanscherping met verregaande gevolgen. Zo wilde het Europees Parlement een aanscherping door Klasse I, II en III CMRstoffen en alle hormoonverstorende stoffen als niet toelaatbaar bestempelen.

Het Britse college voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen (PSD, Pesticides Safety Directorate) berekende daarop dat de door het EP aangenomen voorstellen zouden kunnen leiden tot een verlies van 80% van alle werkzame stoffen in gewasbeschermingsmiddelen. Voor het volledige rapport klik hier.

In Nederland keek het Praktijkonderzoek Plant & Omgeving naar de gevolgen van de voorstellen door het EP. De betrokken onderzoekers concludeerden dat dat door het grote aantal te vervallen middelen bij roos, chrysant, komkommer, spruitkool, zaaiuien, tulp en sierheesters fysieke opbrengstdervingen van 50 tot 100 % verwachten konden worden. Zowel genoemde gewassen als suikerbieten zouden te maken krijgen met een saldoderving van meer dan 50 %. Het gevolg zou zijn dat deze teelten in Nederland onrendabel worden, met extreme gevolgen voor de productie en internationale handel in deze gewassen. Voor pootaardappelen, consumptieaardappelen, wintertarwe, tomaat en appel kwam de geschatte opbrengstderving op 15 tot 32 %. De gewassaldi van deze gewassen zouden bijzonder sterk afnemen, waardoor de rendabiliteit zwaar onder druk komt. Van het verminderde gewassaldo kunnen dan de vaste kosten niet of nauwelijks meer betaald worden. Voor het volledige rapport klik hier.

Verder zouden er naar aanleiding van de voorstellen van het Europees Parlement dusdanig veel stoffen wegvallen, dat voor verschillende resterende gewasbeschermingsmiddelen op termijn problemen met resistentievorming tegen verschillende ziekten, plagen en/of onkruiden verwachten kunnen worden. Hierdoor zouden deze moeilijk of niet meer te bestrijden zijn. Andere langere termijn effecten die in het rapport worden genoemd zijn: veronkruiding, een toenemende aaltjespopulatie en een toename van ziekten en plagen waartegen oorspronkelijk toegelaten middelen wel een nevenwerking hadden. Deze langere termijn effecten werden echter in de PPO-studie niet becijferd, maar kunnen ook een grote impact hebben.

In oktober van 2008 informeerde minister Verburg de Tweede Kamer over de visie van de Europese Raad met betrekking tot de mogelijke gevolgen van de verordening (21 oktober 2008; DL. 2008/2643). Zij meldde in deze brief dat, ondanks diverse signalen over de mogelijke gevolgen van de introductie van cut off criteria, de Europese Raad van mening is gebleven dat de toelatingscriteria moeten worden aangescherpt moeten, maar ook dat dat pas gebeurd:

  • op het moment dat de betreffende stoffen op de rol staan voor herbeoordeling (elke 10 jaar)
  • met de mogelijkheid om bij landbouwkundige onmisbaarheid en bij wijze van overgangsmaatregel deze stoffen voor maximaal 5 jaar toe te laten, mogelijk met een verlengingsmogelijkheid van nog eens 5 jaar en waarbij
  • substitutiestoffen moeten worden vervangen binnen 5 jaar, maar alleen indien een alternatief is gevonden. Verlenging is mogelijk.

In Nederland zou het volgens de minister gaan om 4 Carcinogene, Mutagene en/of Reprotoxische stoffen en 14 stoffen met hormoonverstorende eigenschappen (ED: endocrine disruption); zeven procent van de stoffen die momenteel in Nederland op de markt zijn. Deze stoffen worden gemiddeld omstreeks 2015 herbeoordeeld. In samenhang met bovengenoemde mogelijkheden zou de agrarische sector en de gewasbeschermingsmiddelenindustrie volgens haar voldoende tijd moeten hebben om te werken aan alternatieven en zou "een balans zijn gevonden tussen het landbouwkundig belang en een het vergroten van duurzaamheid".

De discussie spitste zich vervolgens toe op de ideeën van enkele leden van (de milieucommissie van) het Europees Parlement. Deze leden wilden:

  • dat de betreffende stoffen gelijk na inwerkingtreding van de verordening werden herbeoordeeld (en niet volgens huidige planning in 2015)
  • geen mogelijkheid wordt geboden om bij landbouwkundige onmisbaarheid stoffen maximaal 5 jaar toe te laten en ook geen daaropvolgende verlengingsmogelijkheid van nog eens 5 jaar
  • extra en strenge goedkeuringscriteria voor immunotox, neurotox en bijentox
  • dat substitutiestoffen sowieso moeten worden vervangen binnen 5 jaar, ongeacht of er een alternatief bestaat. Verlenging is niet mogelijk.

De consequenties van deze voorstellen zouden aanzienlijk zijn geweest. De minister heeft zich dan ook nadrukkelijk uitgesproken géén voorstander te zijn van de inhoud van de betreffende voorstellen uit het Europees Parlement en gaf aan niet met deze amendementen in ongewijzigde vorm in te stemmen.

Medio januari 2009 stemde het Europees Parlement over de nieuwe gewasbeschermingsverordening. De uitkomst van de stemming betekent een duidelijke verbetering ten opzichte van de oorspronkelijke voorstellen. Zie tevens tabel 2.

Tabel 2: Uitkomst van de stemming in het Europees Parlement

Hazard based / cut off
  • Persistent Organic Pollutant (POP)
  • Persistent - Bio-accumulative - Toxic (PBTs)
  • Very Persistent - Very Bio accumulative (vPvB)
  • Categorie 1 & 2 Carcinogenic - Mutagenic - eprotoxic (CMR)
  • Endocrine disruptors (ED)
  • ED, CR2: derogatie van 5 jaar bij onmisbaarheid
Risk based
  • Bee toxicity, immunotoxicity, neurotoxicity

Conclusies

De zorgen over de introductie van de cut-off criteria zijn niet weggenomen, maar de "scherpste kantjes" zijn verdwenen, omdat op onderdelen een wetenschappelijk oordeel over specifieke risico’s van gewasbeschermingsmiddelen toch mogelijk is geworden. De komende periode zullen verschillende definities verder worden uitgewerkt en verhelderd. Daarmee zal overigens niet direct duidelijkheid ontstaan over de uiteindelijke gevolgen van de nieuwe verordening. Een uitspraak over de daadwerkelijke toelaatbaarheid van actieve stoffen (en de daarop gebaseerde gewasbeschermingsmiddelen) en dus ook over de gevolgen voor de land- en tuinbouw kan immers pas worden gegeven na uitwerking van de definities en pas nadat de nieuwe EU-toetsingsprocedure volledig is doorlopen.

Zoeken

Vlag EU

Europese conferentie over Speciality Crops


Op 4 november 2009 werd in Brussel een Europese Conferentie over "speciality crops" en "minor uses" gehouden.

Voorafgaande aan de Conferentie verscheen een gezamenlijk position paper van de acht organiserende organisaties. Dit paper met de titel "Speciality crops and 'Minor uses´ under the new PPP authorisation Regulation" kunt u hier downloaden.

Naar aanleiding van de Conferentie bracht Nefyto ook een persbericht uit. Klik hier voor het persbericht. 

Risico, gevaar / risk, danger, hazard

Brochure van Cefic: Risk and Hazard: How they differ