Bij de totstandkoming van de verordening is veel gesproken over (het ontbreken van) de noodzaak om de huidige risico-benadering bij de beoordeling van actieve stoffen te verlaten en de introductie van cut off-criteria (besluitvorming op basis van intrinsieke stofeigenschappen). Daarbij dient de kanttekening te worden gemaakt dat al sinds 2001 in de EU geen stoffen meer werden goedgekeurd die geclassificeerd zijn als CMR (carcinogene, mutagene en reprotoxische) klasse I en mutagene klasse II stoffen.
In het oorspronkelijke voorstel van de Commissie werd voorgesteld om klasse I en II CMR stoffen toe te staan, mits er geen consumenten aan meetbare residuen werden blootgesteld (op basis van risicobenadering).
In het najaar van 2007 behandelde het Europees Parlement in Eerste Lezing het Commissievoorstel voor de Gewasbeschermingsverordening. Dit leidde tot een aanzienlijke aanscherping met verregaande gevolgen. Zo wilde het Europees Parlement een aanscherping door Klasse I, II en III CMRstoffen en alle hormoonverstorende stoffen als niet toelaatbaar bestempelen.
Het Britse college voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen (PSD, Pesticides Safety Directorate) berekende daarop dat de door het EP aangenomen voorstellen zouden kunnen leiden tot een verlies van 80% van alle werkzame stoffen in gewasbeschermingsmiddelen. Voor het volledige rapport klik hier.
In Nederland keek het Praktijkonderzoek Plant & Omgeving naar de gevolgen van de voorstellen door het EP. De betrokken onderzoekers concludeerden dat dat door het grote aantal te vervallen middelen bij roos, chrysant, komkommer, spruitkool, zaaiuien, tulp en sierheesters fysieke opbrengstdervingen van 50 tot 100 % verwachten konden worden. Zowel genoemde gewassen als suikerbieten zouden te maken krijgen met een saldoderving van meer dan 50 %. Het gevolg zou zijn dat deze teelten in Nederland onrendabel worden, met extreme gevolgen voor de productie en internationale handel in deze gewassen. Voor pootaardappelen, consumptieaardappelen, wintertarwe, tomaat en appel kwam de geschatte opbrengstderving op 15 tot 32 %. De gewassaldi van deze gewassen zouden bijzonder sterk afnemen, waardoor de rendabiliteit zwaar onder druk komt. Van het verminderde gewassaldo kunnen dan de vaste kosten niet of nauwelijks meer betaald worden. Voor het volledige rapport klik hier.
Verder zouden er naar aanleiding van de voorstellen van het Europees Parlement dusdanig veel stoffen wegvallen, dat voor verschillende resterende gewasbeschermingsmiddelen op termijn problemen met resistentievorming tegen verschillende ziekten, plagen en/of onkruiden verwachten kunnen worden. Hierdoor zouden deze moeilijk of niet meer te bestrijden zijn. Andere langere termijn effecten die in het rapport worden genoemd zijn: veronkruiding, een toenemende aaltjespopulatie en een toename van ziekten en plagen waartegen oorspronkelijk toegelaten middelen wel een nevenwerking hadden. Deze langere termijn effecten werden echter in de PPO-studie niet becijferd, maar kunnen ook een grote impact hebben.
In oktober van 2008 informeerde minister Verburg de Tweede Kamer over de visie van de Europese Raad met betrekking tot de mogelijke gevolgen van de verordening (21 oktober 2008; DL. 2008/2643). Zij meldde in deze brief dat, ondanks diverse signalen over de mogelijke gevolgen van de introductie van cut off criteria, de Europese Raad van mening is gebleven dat de toelatingscriteria moeten worden aangescherpt moeten, maar ook dat dat pas gebeurd:
- op het moment dat de betreffende stoffen op de rol staan voor herbeoordeling (elke 10 jaar)
- met de mogelijkheid om bij landbouwkundige onmisbaarheid en bij wijze van overgangsmaatregel deze stoffen voor maximaal 5 jaar toe te laten, mogelijk met een verlengingsmogelijkheid van nog eens 5 jaar en waarbij
- substitutiestoffen moeten worden vervangen binnen 5 jaar, maar alleen indien een alternatief is gevonden. Verlenging is mogelijk.
In Nederland zou het volgens de minister gaan om 4 Carcinogene, Mutagene en/of Reprotoxische stoffen en 14 stoffen met hormoonverstorende eigenschappen (ED: endocrine disruption); zeven procent van de stoffen die momenteel in Nederland op de markt zijn. Deze stoffen worden gemiddeld omstreeks 2015 herbeoordeeld. In samenhang met bovengenoemde mogelijkheden zou de agrarische sector en de gewasbeschermingsmiddelenindustrie volgens haar voldoende tijd moeten hebben om te werken aan alternatieven en zou "een balans zijn gevonden tussen het landbouwkundig belang en een het vergroten van duurzaamheid".
De discussie spitste zich vervolgens toe op de ideeën van enkele leden van (de milieucommissie van) het Europees Parlement. Deze leden wilden:
- dat de betreffende stoffen gelijk na inwerkingtreding van de verordening werden herbeoordeeld (en niet volgens huidige planning in 2015)
- geen mogelijkheid wordt geboden om bij landbouwkundige onmisbaarheid stoffen maximaal 5 jaar toe te laten en ook geen daaropvolgende verlengingsmogelijkheid van nog eens 5 jaar
- extra en strenge goedkeuringscriteria voor immunotox, neurotox en bijentox
- dat substitutiestoffen sowieso moeten worden vervangen binnen 5 jaar, ongeacht of er een alternatief bestaat. Verlenging is niet mogelijk.
De consequenties van deze voorstellen zouden aanzienlijk zijn geweest. De minister heeft zich dan ook nadrukkelijk uitgesproken géén voorstander te zijn van de inhoud van de betreffende voorstellen uit het Europees Parlement en gaf aan niet met deze amendementen in ongewijzigde vorm in te stemmen.
Medio januari 2009 stemde het Europees Parlement over de nieuwe gewasbeschermingsverordening. De uitkomst van de stemming betekent een duidelijke verbetering ten opzichte van de oorspronkelijke voorstellen. Zie tevens tabel 2.